OCP 22 maart 2009
Jozua 4,19-5:1,10-12 Johannes 6,1-15 ‘Onvoldoende, niet genoeg, onmogelijk.’ Onmogelijk om vijfduizend man, vrouwen en kinderen nog niet eens meegerekend, van eten te voorzien. Werkelijk, we hebben niet genoeg, niet om de AOW te handhaven, niet om de pensioenen op peil te houden, niet om ontslagen te voorkómen. Echt, ’t is onvoldoende. Je prestaties zijn onvoldoende om je hier te handhaven, om door te groeien op deze plek, om dit project tot een succes te maken. Onvoldoende, niet genoeg, onmogelijk. Daarmee lijkt de kous af. Getallen liegen niet. We moeten reëel zijn: wat niet kan, dat kan niet.
Onvoldoende, niet genoeg, onmogelijk: als een niet-aflatende stroom komen de woorden op je af. Het lijkt wel de Jordaan, letterlijk de naar-beneden-stromer. Over een kleine afstand heeft de Jordaan een verval van 400 meter – niet te stuiten totdat hij eindigt in de Dode Zee, een zoute plas van stilstaand water, waar niks groeit en alles dood gaat.
En daar staat Jozua, met heel het volk, aan deze kant van de Jordaan, terwijl hij aan de overkant moet zijn. Want daar ligt het beloofde land. Het land waarvoor ze weggetrokken zijn uit Egypte. Veertig jaar zijn ze al onderweg. Een onmogelijk lange tijd. Maar vandaag wordt het onmogelijke waar: het volk bereikt de overkant van de Jordaan. Ze trekken er dwars doorheen, de priesters met de ark voorop. En zodra de priesters hun voeten in het water zetten, komt de stroom van de Jordaan tot stilstand. Het water rijst op, als een enorme dam, maar het hele volk kan overtrekken, en staat op het droge tot en met de laatste man. Die niet aflatende stroom van de Jordaan wordt drooggelegd. Net zoals in den beginne God het water naar één plaats liet stromen, zodat er droog land verscheen (Gn 1,9); net zoals na die enorme watervloed Noach en zijn ark droog land bereikte (Gn 8,13,14), net zoals Mozes met het volk door de Schelfzee trok op het droge (Ex 14,21,22) en Jona door de walvis op het droge werd gespuugd (Jona 2,10), zo trekt Jozua met het volk over de droge bedding van de Jordaan om de overkant, het droge, te bereiken. De chaos van de oerzee, de stortvloed van menselijk onvermogen: het droogt allemaal op. Het volk bereikt het beloofde land: vaste grond onder je voeten.
Vaste grond onder je voeten op de tiende dag van de eerste maand. Die dag staat er niet voor niks bij. De eerste maand, dat is het voorjaar, de oogsttijd, wanneer de Jordaan meer dan overvol water staat en die dam water die ontstond dus werkelijk ongelofelijk indrukwekkend moet zijn geweest. Maar, veel belangrijker nog, de tiende dag van de eerste maand is precies op tijd om drie dagen later, op de veertiende dag, Pesach te vieren. Net zoals ze in Egypte hadden gedaan, vlak voordat ze vertrokken: op de tiende dag van de maand hadden ze een lam genomen, om dat op de veertiende dag te eten, samen met het ongezuurde brood. Daar aan de oever van de Jordaan, nog maar net gearriveerd in het beloofde land, vieren ze Pesach, bevrijding, met heel het volk. Ze hadden nog niet gezaaid en niet geoogst, maar ze aten ongedesemd brood en geroosterd graan. Er was meer dan genoeg, gewoon van de opbrengst van het land.
Onmogelijk. Goed verhaal, maar niet genoeg. Kom op, we moeten reëel zijn. Er zitten hier vijfduizend man om te voeden, we hebben een project te managen, een bedrijf te runnen, een land te besturen. En we hebben vijf broden en twee visjes. Wat niet kan, dat kan niet. Stuur ze weg, die vijfduizend man, laat ze zelf hun eten kopen. (Mt 14,15)
Onmogelijk. Je kunt die mensen niet wegsturen. Je kunt die mensen niet wegsturen als je werkelijk hebt begrepen waar het om gaat. Als je hebt begrepen dat het gaat over het beloofde land, dat land waar het goed is om te wonen. Een land wat niet blijft hangen in de vraag wat er niet kan, maar dat voortbouwt op dat wat wel kan; een land waar je niet wordt afgeschreven vanwege talenten die je niet hebt, maar waar je mag woekeren met hetgeen je wel hebt. Een land waar vrede niet hoeft te worden bevochten; een land waar troost en vergeving is en mensen spreken als mensen. Een land dat niet alleen bedoeld is voor een selecte groep, voor jouw particuliere clubje of voor die ene persoon die toevallig vijf broden en twee vissen heeft. Naar het beloofde land trek je met héél het volk.Daarom krijgt Jozua de opdracht twaalf stenen op te richten. Twaalf stenen, voor elke stam één, om te gedenken dat héél het volk de Jordaan overtrok. Twaalf stenen om te gedenken en nooit te vergeten. Dat gedenken dat is een bijzonder woord in de Schrift. Het betekent meer dan ‘denken aan’, of ‘je herinneren’ zoals je je herinnert dat je nog boodschappen moet doen of morgen een afspraak bij de tandarts hebt. Gedenken is herinneren in de meest letterlijke betekenis van dat woord: her-inneren, opnieuw innerlijk maken. Zo gedenken dat het deel wordt van jezelf, dat het beïnvloedt wat je doet en wat je zegt, dat het opnieuw werkelijkheid wordt. Gedenken en doen gaan hand in hand. In de Schrift is het op de eerste plaats God zelf die gedenkt. God gedenkt zijn verbond met Noach als Hij de regenboog ziet. Ondanks alle trouweloosheid van het volk gedenkt God zijn verbond, blijft Zij trouw aan Haar belofte dat Zij het volk zal leiden naar het beloofde land, dwars door de Jordaan. Om deze gedachtenis van God te gedenken richt Jozua de twaalf stenen op. Twee keer twaalf stenen zelfs: één stapel in de Jordaan en één aan de overkant van de Jordaan. Een stapel aan de overkant om, als je eenmaal in het beloofde land bent, niet te vergeten waarom je daar bent, om je te herinneren dat de melk en de honing bestemd zijn voor allen, voor heel het volk. En een stapel stenen in de Jordaan, om je, tegen de verdrukking in, staande te kunnen houden in de verwachting van wat is beloofd en toegezegd. Gedenken is geen luxe, het is een dringende opdracht, want als we het niet doen, dan vergeten we.
Kijk, daar, er is groen gras, eindelijk lente, na al die woestijn. Laat de mensen gaan zitten en deel uit van die vijf broden en twee visjes. Om te gedenken, om niet te vergeten dat er is voldoende is, meer dan genoeg, dat het echt mogelijk is: het beloofde land.
Amen
|