| Roeping |
|
|
|
| Geschreven door Leo Oosterveen |
|
Preek in het Oecumenisch City Pastoraat, Stevenskerk Nijmegen, op zondag 22 januari 2012 Lezingen: 1 Sam. 3,1-10 en Marcus 1,14-20 Roeping Na Jezus’ doop in de Jordaan vat Marcus in zijn evangelie een aantal episodes kort en bondig samen. Jezus gaat naar de woestijn om op de proef gesteld te worden, Johannes de Doper wordt gevangen genomen. Vervolgens trekt Jezus, zo horen we vandaag, in Galilea rond om er de komst van rijk Gods te verkondigen en verzamelt er zijn eerste volgelingen. Het gaat allemaal zo snel dat het alweer voorbij is voor je het weet. Het lijken wel korte berichtjes op je mobieltje. Prettig voor moderne lezers, zo’n evangelist die niet van een omhaal van woorden houdt. Maar als je de verzen van vanochtend nog eens rustig leest en hoort, is er toch wel reden om er bij stil te blijven staan. Het is een verbazingwekkende episode. Er komt een man langs een stel vissers, Simon en zijn broer Andreas, en vervolgens Jacobus en diens broer Johannes. Ze zijn bezig met hun werk. Hij roept hen toe: ga met mij mee. Ze laten hun netten in de steek en volgen hem. De roeping is ontdaan van alle psychologische motivatie. De vissers gaan niet na of het iets voor hen is, deze ingrijpende verandering in hun bestaan. Ze gaan niet met elkaar of met Jezus in gesprek over het perspectief dat hij biedt: vissers van mensen worden. Van twijfel, aarzeling, afweging of iets van dien aard vernemen we niets bij Marcus. Het enige dat we horen is: Jezus riep hen en terstond lieten ze hun hebben en houwen in steek, en Jacobus en Johannes lieten ook nog eens hun vader aan zijn lot over. Marcus zet de roeping van de eerste vier leerlingen in al zijn kortheid en kaalheid neer. Ik weet niet of u zich wel eens geroepen weet en of dat dan lijkt op de roeping van deze leerlingen. Misschien, geleidelijk aan, net als Samuel, die pas gaandeweg ontdekt dat God hem roept. Maar misschien ervaart u ook dat niet. Wat is roeping vandaag de dag eigenlijk? Als je ernaar vraagt, zullen vele mensen zeggen en u en jullie misschien ook: zorg dragen voor het gezin, zich wijden aan zijn of haar baan, het vrijwilligerswerk, bepaalde mensen in de knel, of misschien politieke idealen, sociale bewegingen, de kerk wellicht. Belangrijke en uiterst waardevolle zaken. Maar noemen we het roeping? En dan nog wel een roeping zonder enig voorbehoud, zoals Marcus schetst? Vandaag de dag zijn we gewend om onze inzet, datgene waaraan we ons wijden, ons werk, onze loopbaan, nauwkeurig te toetsen en te plannen, te (her)overwegen en om erover te onderhandelen, bijv. met partner en werkgever. Telkens opnieuw moeten we afwegen en onderzoeken waar we voor kiezen, wat er past in onze levensloop. Telkens kiezen we links of rechts op de scharnierpunten van ons leven. Onze leven, onze inzet zijn werk in uitvoering. Goed presteren in je werk is belangrijk, maar al te lang bij één baas blijven is slecht voor je cv. We berekenen onze koers. Soms nemen we risico’s, als we een nieuwe weg inslaan. Maar al te veel risico’s zijn ondraaglijk en dan kiezen we weer liever voor zekerheid. We moeten flexibel zijn en af en toe veranderen, maar soms staat de veranderlijkheid ons tegen. Maar hoe het ook zij, met de roeping van de leerlingen heeft onze inzet en toewijding meestal niet veel te maken. Zoals zij pardoes met achterlating van alles Jezus volgen, definitief en zonder voorwaarden, dat is toch een vreemde gril, het is toch onbegrijpelijk, ja onverantwoordelijk? Zo bouw je toch geen bestaan op? Als het gedrag van de leerlingen ons niet overtuigt en verder helpt, laten we dan eens kijken naar degene die dit allemaal aanricht: Jezus van Nazaret. Kunnen wij iets met zijn oproep tot navolging, zoals Marcus ons schildert? Jezus trekt predikend in Galilea rond en verkondigt het goede nieuws van God: het rijk Gods is nabij, de tijd is daar, hecht er geloof aan, vertrouw erop en keer je om. Maar wat dat goede nieuws precies inhoudt, wordt in deze verzen niet duidelijk. Het lijkt op een boodschap zonder inhoud, een opwekking zonder richting. Keer je om, maar waarheen? Het enige waarop Jezus wijst is, zo lijkt het, zichzelf: “Kom achter mij aan”, zegt hij tegen zijn eerste vier volgelingen. Kunnen we nog wel onbevangen naar zo’n oproep luisteren? Hebben wij niet afgeleerd om onze oren te laten hangen naar charismatici, populisten en sekteleiders die hun heilsleer alleen ter meerdere glorie van zichzelf verkondigen en uit zijn op eigen roem en macht? Bovendien, als je geloofwaardig wilt overkomen, moet je toch een programma hebben, een project met een duidelijke identiteit? Helpt Jezus eerste optreden ons echt verder? Of blijven we ook hier zitten met lege handen? Jezus zegt nòg iets en wel tegen Andreas en Simon: ik zal jullie vissers van mensen maken. Jullie moeten mensen verzamelen. Hiermee komen we meteen op het vervolg van onze pericoop, een vervolg dat we in de komende weken nog zullen horen. Want wélke mensen helpen de leerlingen verzamelen, als ze al niet zelf op Jezus en zijn volgelingen toestromen? Zieken, kreupelen, lammen, blinden, bezetenen, onreinen, outcasts. Dat goede nieuws is niet een beginselprogramma, een tienpuntenlijst of een theologische geloofsbrief, zoals de bergrede die in het Mattheusevangelie het begin van Jezus’ openbare optreden markeert. Er is bij Marcus eigenlijk helemaal geen theologische beginselverklaring. Nee, het goede nieuws is een praktijk. Op de aankondiging dat het rijk Gods gekomen is, volgen genezingsverhalen, hoofdstukken lang. En roeping is: helpen mensen bijeen te brengen om hen van hun isolement te bevrijden, hen te helen en rechtop te doen staan en een plaats in de gemeenschap terug te geven. Dat is volgens Marcus de belangrijkste inhoud van de blijde boodschap en van de komst van het rijk van God: goed leven voor hen die verschoppeling zijn. Volgens middeleeuwse filosofen en theologen is het goede iets dat zich als vanzelf verspreidt, als een olievlek. Het goede heeft een onweerstaanbare roep. De leerlingen verstaan deze roep en gaan er onmiddellijk op in. Ze doen dat niet vanuit een of andere onbegrijpelijke gril. En ook niet omdat Jezus een ronkende campagne start of uit is op roem en macht. Integendeel, als degenen die genezen zijn, erover willen vertellen of Jezus willen erkennen als de zoon van God – mensen dus die de eerste verkondigers worden van het heil in Jezus -, dan verbiedt Jezus hun om erover te praten (Mc. 1,45; 3,12). Jezus wijst eerder van zich af dan naar zichzelf toe in het Marcusevangelie. Hij wijst op nieuwe visgronden, elders, als bron van heil, als plek waar Gods rijk aanbreekt. Waar het bij Marcus in deze pericoop over de roeping van de eerste leerlingen en in de volgende hoofdstukken op aankomt, is dit. Het goede, de goede boodschap van rijk Gods, komt tot ons in de roep van hen die het goede ontberen, zij die geen goed leven hebben en een appel doen op genezing, heelwording, gezien worden, er mogen zijn. Naarmate we meer op dat appel ingaan en ons naar hen omkeren, verbreidt het goede nieuws van Gods heil zich als een olievlek. Want de genezen, geredde en gerehabiliteerde mensen zijn de eersten die deel uitmaken van de nieuwe geloofsgemeenschap rondom Jezus. En het goede nieuws verspreidt zich als een lopend vuurtje via de genezing van de zieken, gewonden, geknechten en ontrechten. Maar niet alleen zij horen tot de mensen die gered en bevrijd worden. Ook de vissers van de mensen, Jezus’ volgelingen worden bevrijd. Doordat zij hun roeping volgen en ingaan op de roep van goede en op hen die erom schreeuwen, worden zij bevrijd van de voortdurende vraag waaraan ze hun leven moeten wijden en welke keuzen en afwegingen zij daarbij moeten maken. De roep van het goede is onweerstaanbaar, het gaat als een lopend vuur, je kunt er geen nee tegen zeggen. Het is een overmaat aan levensvervulling. Daarom gaan Simon, Andreas, Johannes en Jacobus achter Jezus aan, zonder voorbehoud. Mogen ook wij ons op deze manier geroepen weten, vandaag, al onze levensdagen, bij alle stappen die we zetten. Amen Leo Oosterveen OP
|