OCP - Nijmegen

  • Smaller scherm
  • Breder scherm
  • Automatische breedte
  • Kleiner lettertype
  • Standaard lettertype
  • Groter lettertype
Home Rond Vieringen Preek van de week Vergeving: zeventig maal zeven maal
Vergeving: zeventig maal zeven maal PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Jan van Hooydonk   

OCP, 11 september 2011, 'Vergeving: zeventig maal zeven maal’ (Exodus 32,7-14, Matteüs 18, 21-35)

Zusters en broeders,

We moeten eerlijk tegenover elkaar zijn. Dat is toch wel het minste dat je in de kerk van elkaar mag verwachten. Ik moet eerlijk tegenover u zijn. Dus laat ik beginnen met een bekentenis: “Ik ben niet erg vergevingsgezind en dat is nog zacht uitgedrukt. Liever koester ik wrok. Dat mengsel van woede en verdriet dat zo prettig in je maag kan kolken, dat zoveel beter smaakt dan vergeving. Mensen die me kennen, weten dit, al weten ze het fijne niet. Zo weten ze niet dat ik een klein zwart boekje in mijn hoofd heb. Een fijn, fluweelzwart boekje, zonder opdruk, met gouden leeslint. Daarin geen zelfgeschreven gedichten, maar namen. Namen van mensen die me ooit onheus hebben bejegend, die me voor schut hebben gezet, verdriet hebben gedaan of hebben bedonderd. (…) Dat boekje zit altijd in een van de laatjes in mijn hoofd. Als het nodig is haal ik het er even uit, lees erin, of voeg een naam toe.”
Om eerlijk te zijn, zusters en broeders: dit zijn niet míjn woorden, maar woorden van de journalist Willem van Leeuwen in zijn recente boek over vergeving. Dat zwarte boekje zit dus in zíjn hoofd, niet in het mijne. Maar nu ik toch bij u te biecht ben, zal ik het ook maar echt bekennen: wat Willem van Leeuwen hier over zichzelf zegt, slaat wel degelijk óók op mij. Ook ik beschik over zo’n denkbeeldig fluweelzwart boekje – het bevat gelukkig niet zo heel veel namen, maar toch… - van mensen die ik maar moeilijk hun misstappen, stupiditeiten en krenkingen jegens mij kan vergeven.
Zo, dat is er uit. Nu is het uw beurt om eerlijk te zijn, zou ik zeggen. We gaan er nu geen therapeutische sessie van maken, u moet het vooral niet hardop zeggen, maar ga eens even voor uzelf na: heeft u wellicht ook zo’n zwart boekje, weggestopt in een van de geheime laatjes in uw hoofd? Welke namen staan er allemaal in dat boekje van u? Heeft u de laatste tijd nog wel eens een naam weggestreept of voegt u vaker een naam toe?
De journalist Willem van Leeuwen worstelt in zijn boek ‘De andere wang’ met vergeving. Hij gaat bij zichzelf te rade en spreekt er met veel mensen over. Voor de meesten blijkt vergeving geen eenvoudige opdracht te zijn. En dat is heel begrijpelijk als je bedenkt hoeveel ellende sommige mensen is aangedaan. Wat bijvoorbeeld moet je als vader of moeder aan met degene die je kind seksueel misbruikt heeft? Kun je zo iemand vergeven? Of wat moet je als kind aan met je vader of moeder die jou mishandeld heeft? Of, op collectief niveau, wat moet het Noorse volk aan met de moordenaar die tientallen idealistische jongeren het leven benam? Wat moet het Amerikaanse volk aan met de terroristen die vandaag exact tien jaar geleden het leven van duizenden onschuldige landgenoten verwoestten?
Vergeving, laten we er dus vooral niet te makkelijk over doen. Het was nooit simpel, het is nu niet simpel en het zal ook nooit simpel worden. Op het terrein van de vergeving zullen we wel altijd amateurs blijven. Er is daarom, zo denk ik, geen enkele rechtvaardiging om elkaar op het vlak van de vergeving de maat te nemen. Hier geldt zeker het woord van Jezus: “Hij of zij die zonder zonde is, werpe de eerste steen.”
Misschien is het wel dáárom – omdat het nooit simpel is – dat Jezus in het evangelie zo radicaal spreekt over vergeving. “Hoe vaak moet ik mijn broeder of zuster vergeven als hij of zij tegen mij zondigt?” wil Petrus van Jezus weten. “Tot zeven keer toe?” ‘Tot zeven keer toe’: dat is eigenlijk al heel vaak, vaker dan je als mens op kunt brengen. Maar Jezus geeft het meest radicale antwoord: “Niet tot zeven keer toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven keer toe.” Met andere woorden: altijd en overal, mateloos en zonder voorwaarden, zouden wij mensen elkaar moeten vergeven.
De parabel die Jezus vervolgens vertelt, licht dat nog eens toe. Iemand is de koning 10.000 talenten schuldig. Tienduizend is het grootste getal dat het Grieks kent. Het gaat dus om een immens bedrag, zoiets als het gehele nationale inkomen. Maar de koning scheldt hem dat bedrag kwijt. Diezelfde man blijkt het vervolgens niet op te kunnen brengen om iemand anders het veel kleinere bedrag van 100 denariën – dat staat voor: 100 daglonen – kwijt te schelden. De koning is daarover hevig verbolgen. Hij voegt de man aan wie hij eerder 10.000 talenten heeft kwijtgescholden, toe: “Jij slechte dienaar! Had juist jij je niet moeten ontfermen over je mededienaar, zoals ik mij heb ontfermd heb over jou?”
Ontferming, vergeving, zij maken het wezen uit van de God van Israël die ook de God van Jezus is. Maar ook bij God is vergeving nooit gemakkelijk of goedkoop. Zelfs God heeft moeite met vergeven. Dat hoorden we in de eerste lezing, uit het boek Exodus. Mozes moet immers hemel en aarde bewegen om God te doen afzien van zijn voornemen om het volk dat zijn Bevrijder verruild heeft voor een stierkalf - een symbool van eigen macht en vruchtbaarheid – te vernietigen. Mozes voert in zijn geding met God maar liefst drie argumenten aan. Ten eerste: het zou toch vreselijk inconsistent beleid van God zijn om het volk dat hij eerst uit Egypte heeft geleid, nu van de aardbodem weg te vagen. Ten tweede: God zelf zou door zo’n actie imagoschade oplopen: de Egyptenaren zouden zich immers vrolijk maken over Gods inconsistente beleid. En, ten derde: God zou in dit geval zijn eerdere beloften aan Abraham, Isaak en Jacob verloochenen. Met deze drie argumenten weet Mozes de Eeuwige uiteindelijk te vermurwen.
Dát God zich laat vermurwen en berouw krijgt over het onheil dat hij wil aanrichten, is opmerkelijk. Opmerkelijk is intussen ook de rol van Mozes. Hij had als religieus leider heel gemakkelijk naast God kunnen gaan staan, tegenover het volk. Gelovigen, en zeker religieuze leiders, doen dat immers maar al te graag: naast God gaan staan, of zelfs op de plaats van God gaan staan, om zondaren de maat te nemen. Die optie was in het geval van Mozes des te aantrekkelijker geweest, omdat de Eeuwige hem een beloning in het vooruitzicht stelde: God wil het volk Israël in brandende toorn vernietigen, maar zal daarna van Mozes en zijn nakomelingen een groot volk maken. Maar Mozes reageert anders: hij plaatst zich niet op de hoogte van God, hij verheft zich als religieus leider niet boven het volk, een beloning voor eigen deugdzaamheid wijst hij af. In plaats daarvan maakt Mozes zich tot pleitbezorger van mensen die niet deugen, gaat naast hen staan. Mozes was een eerlijk mens, geloof ik. Hij moet geweten hebben wat ook wij kunnen weten als wij eerlijk zijn: dat wijzelf vaak geen haar beter zijn dan de mensen wier namen wij opgeschreven hebben in dat fijne fluweelzwarte boekje van ons. Omdat Mozes dát besefte – dat hij geen God was maar een mens onder de mensen, met alle gebreken daaraan verbonden - daarom was hij in staat solidair te zijn met zijn zondige volk. En in die positie wist hij God tot dezelfde solidariteit te bewegen.
Hier raken wij aan het geheim in ons leven dat vergeving heet. Wanneer wij – en dat kan heel pijnlijk zijn – het besef tot ons laten doordringen dat wijzelf niet zo heel veel beter of anders zijn dan degenen die wij om hun wandaden jegens ons verachten – kunnen we elkaar vergeven. Dan ontstaat er ruimte voor werkelijke aanvaarding, voor werkelijke compassie met de ander en met jezelf (want soms moet je ook jezelf iets vergeven). Dan groeit liefde uit tot de volle mensenmaat die ook de maat van God is.
Vergeving, en dan nog eens ‘tot zeventig maal zeven maal toe’: het was nooit simpel, het is nu niet simpel en het zal ook nooit simpel worden. Maar wat een weldaad is het wanneer we daar, zowel persoonlijk als als samenleving, toe in staat zijn. Tot vergeving, tot mildheid, tot welwillendheid, tot liefde. Zoals de dichteres Judith Herzberg schreef:

 

Er is nog zomer genoeg
wat zou het loodzwaar tillen zijn
wat een gezwoeg als iedereen
niet iedereen terwille was
als iedereen niet iedereen
op handen droeg.

Zusters en broeders, dit is het geheim van ons geloof, dit is het geheim van vergeving: Eén is er die ons ter wille is. Eén is er die ons op handen draagt, ondanks alles. Dat ook wij daartoe in staat zouden mogen zijn. Met Gods hulp.

Amen.

Jan van Hooydonk,


* Willem van Leeuwen: De andere wang. Vergeving in tijden van vergelding. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2011.

 

OCP-kalender

April 2012 Mei 2012 Juni 2012
Zo Ma Di Wo Do Vr Za
1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31

Besloten gedeelte