| Geloven/vertrouwen als levenshouding |
|
|
|
| Geschreven door Ted Schoof |
|
Overweging 3 okt. 2010, Habak. 1, 1-4. 2, 1-4; Lc. 17, 5-10 Inleiding In de lezingen van vandaag horen we over `geloven/vertrouwen', als levenshouding, in zeer geladen bijbelse woorden. Die zijn vaak moeilijk precies weer te geven, omdat er geloof, vertrouwen en trouw in samengaan; en ze kenmerken een houding tot iets/iemand die je te boven gaat, en je toch goedgunstig, genadig is; tot degene die we God noemen. Dat horen we al in de eerste lezing, uit de weinig bekende profeet Habakuk, die de wereld om zich heen zag instorten en toch licht bleef zien, en de zin uitsprak die o.a. Paulus zou overnemen, en verder invullen: `de rechtvaardige blijft leven door zijn trouw/geloof'. En daarop volgen, uit het evangelie van Lucas, een paar ongewone, zeer krasse uitspraken van Jezus – teksten die allemaal de achtergrond vormen, en ook de bron, van óns geloof. Overweging Er is ons in de viering al heel wat aangezegd: in Psalm 23, in de verzuchtigingen van Habakuk, en in Jezus' uitdagende uitspraken bij Lucas. Als vanzelf voeg je daar bij het luisteren meteen je eigen reacties aan toe, vanuit de situatie waarin je verkeert. Ik geef maar een paar voorbeelden. Een fijn gevoel is dat, zo'n onzichtbare herder die je beschermt in een `dal van diepe duisternissen', met zijn `stok en staf'. Maar merk je dat dan? Zijn zulke woorden niet veel te mooi, een wensdroom als je er zelf niet meer uitkomt? Houdt God voor de gelovigen aanslagen tegen, of overstromingen, of pijnlijke conflicten in de samenleving? En die zin van Habakuk, `de rechtvaardige blijft leven door zijn trouw/geloof': riep hij dat eigenlijk niet in een soort vertwijfeling tijdens de verwoesting om zich heen, een beetje te luid ook om geloofwaardig te zijn? Zijn de rechtvaardigen door hun trouw gered bij de gewelddaden in Irak of Afghanistan, of in het Midden-oosten? Of bij gewelddaden in onze eigen omgeving? En dan die mysterieuze zinnen van Lucas: waar slaan die eigenlijk op? Na het verhaal over Lazarus zet Lucas verschillende lapidaire uitspraken bij elkaar. Waarom daarbij ineens die vraag om `meer geloof/vertrouwen'? / En dan Jezus' antwoord dat echt geloof 'n moerbeiboom kan verplaatsen: is dat niet irreëel, overdreven, naïef, het soort overspannen geloof als van een amerikaanse tv-dominee, of van een wereldvreemde sekte? Wat is dat voor `geloven'. Ligt dat niet achter ons? Het lijkt goed om eerst wat precieser te kijken naar wat bedoeld kan zijn bij Lucas, die toch het dichtst bij ons lijkt te staan. De vraag van de leerlingen om `meer geloof/vertrouwen' komt bij hem nogal plompverloren na een heel ander fragment, maar een soortgelijke passage bij Matteüs volgt op een genezing die de leerlingen niet klaargekregen hadden, maar Jezus wel. `Een kwestie van vertrouwen', had Jezus daar gezegd, zoals ook hier bij Lc. En in onze tekst staan die woorden over geloof/vertrouwen toch niet zo los als je eerst denkt: ze leiden een stuk in waarin de noodzaak van geloof telkens terugkomt: volgende week lezen we bij de tien melaatsen `je geloof heeft je gered', en iets later hetzelfde bij de blinde van Jericho; en in iets andere woorden nog een keer bij de tollenaar die achter in de tempel bleef staan. En ook als Jezus later de beproevingen schildert die gaan komen bij een totale, uiteindelijke ommekeer (`einde van de wereld'), vraagt hij zich af: `zal de mensenzoon bij zijn komst nog geloof op aarde vinden? Als dus vandaag, aan het begin van dat stuk evangelie over geloven, de leerlingen vragen om `meer geloof', gaat Jezus bij Lc. dat geloof/ vertrouwen nogal opzienbarend invullen. Zijn antwoord is nl.: jullie hebben eigenlijk helemáál geen geloof. Want als je maar een fractie, een atoom geloof had - het mosterdzaadje is het kleinste van alle zaden, staat er op een andere plaats - zou je die boom daar uit de grond kunnen rukken en door de lucht laten vliegen tot in de zee; – en `die boom daar' was een moerbeiboom, die de taaiste en diepste wortels had in de harde grond van Palestina. Dat zou je dus kunnen met een fractie geloof? En meteen daarna in Lc. dat vreemde, wat schokkende verhaal van een meester die z'n vermoeide slaaf na het werk ook nog eerst hém laat bedienen voordat hij zelf mag eten; zo moeten ook zijn leerlingen zeggen - daarbij krijg je griezelige associaties met showprocessen, als bv. in de voormalige Sovjetunie - `we zijn maar waardeloze slaven', - voor sommige overschrijvers is dat `waardeloze' blijkbaar zo erg dat ze het maar hebben weggelaten. Het is niet gemakkelijk in zulke teksten ónze geloofshouding te herkennen. Toch denk ik dat we er goed aan doen niet te gauw weg te vluchten naar andere bijbelteksten die gemakkelijker aanspreken, bv. over de geloofstwijfels van de profeten; of naar de evangelie plaats waar Jezus verhaalt van een meester die z'n trouwe knechten zélf gaat bedienen. De hardere teksten staan er toch óók; ze moeten ook meetellen als we nadenken over geloven. We moeten dus maar dóórluisteren, het niet opgeven, blijven zoeken naar herkenningspunten. Bij de tekst van Lc. hielp mij een commentator die erop wees dat het verhaal van de slaven en hun heer sterk doet denken aan de theologie van Paulus en waarschijnlijk onder zijn invloed staat; Paulus die het geloof in Jezus zo sterk afzet tegen het prestatie-princiep (dat hij toeschreef aan zijn farizese verleden): geloven heeft volgens hem helemaal niets van een prestatie, van iets dat je eigenlijk zelf ook wel kunt bereiken, dat minstens beter gaat als je je tanden maar op elkaar zet. Nee, zegt Paulus, geloof is helemaal - begin, midden en einde - gegeven, Góds impuls in je, zijn genade; dwz.: voor niets, – een overtuiging die vooral goed bewaard is id. reformatie. Alles wat je zelf doet, is daarmee vergeleken `waardeloos'. Je hoeft alleen maar een willig werktuig te zijn, God láten doen, je totaal overgeven. Voor een modern, zelfbewust mens is dat niet zo gemakkelijk te aanvaarden; maar toch wel een beetje te herkennen. Geloven heeft inderdaad iets roekeloos, iets van: dan maar het risico nemen om irreëel of naïef te lijken, om voor gek verklaard te worden, en ook nog eens in de buurt te komen van bv. fundamentalistische groepen, die ook volgens jou onverantwoord zijn. Jezus zelf nám dat geloofsrisico - eerder lezen we dat ze hem inderdaad voor gek verklaarden - en waarschijnlijk ook Habakuk, met z'n vertrouwen midden in al die ellende. En we weten het ook van latere gelovigen, Franciscus van Assisi, Luther natuurlijk, in onze dagen degene die aan hem zijn voornaam ontleende, Martin Luther King, en bisschop Romero; en ook minder spectaculaire groepjes gelovigen die een radicale keuze durven maken en acties ondernemen tegen bv. militaire of politieke uitwassen; ook in onze huidige politieke spanningen lijkt dat soms boven water te komen. Misschien is het ons ook wel eens overkomen voor gek versleten te worden vanwege een geloofskeuze, waarschijnlijk dan minder dramatisch, maar wel op een moment dat je het besef kreeg iets - iets belangrijks, vooral iets waarvan je ineens weet dat het onjuist en daarom onverdragelijk is - te móéten van die Ander die je te boven gaat, en dat dan ook te moeten kiezen en de risico's maar te nemen. Dat is uiteindelijk wat Jezus noemt het risico je leven te verliezen, en dat uit te houden, in vertrouwen en in hoop op de God die je `herder' wil zijn, op de zaak waarom het gaat, voor jou een zaak van het laatste en diepste belang. `Geloof als totale overgave' heet dat in de meer nuchtere taal van de theologie, geloven als alles bepalende levenshouding, – de keuze die elke christen vroeg of laat toch wel eens ziet opdoemen. Maar, blijf je toch vragen, helpt dat dan, uiteindelijk? Mag het eigenlijk wel, is het verantwoord tegenover jezelf, tegenover de plicht om een weloverwogen keuze te maken? Kan en moet ieder zo radicaal zijn, wanneer is dat nodig, en hoe moet je dat dan uitvoeren? Er blijven inderdaad nog heel wat vragen over. Ik denk dat we niet moeten proberen die nu allemaal te bezien. Vandaag roepen de teksten ons op om minstens de mógelijkheid van een radicale keuze, en de waarde ervan, onder ogen te zien. Want ook bij ons werkt toch nog steeds iets door van het vertrouwen dat God als `herder' ons steunt met zijn `stok en staf', van de trouw en de hoop-tegen-alle-ervaring-in van de profeet Habakuk, en van Jezus en zijn volgelingen? Vooral van Jezus. Want hij durfde inderdaad zijn leven te verliezen voor het rijk Gods dat, besefte hij, in zijn optreden aan het doorbreken was. In zijn leven, lijden en dood zien we de uiterste consequentie van geloof/vertrouwen zoals hij dat in Lc. omschreef. Hij durfde inderdaad een moerbeiboom uit de grond te trekken, de vastgewortelde religieuze structuur van zijn eigen volk en traditie los te schudden; en hij heeft dat ook geweten: hij is ervoor ter dood gebracht. Toch durven we geloven dat zijn leven gered is door de dood heen, door de God op wie hij diep in zijn hart vertrouwde; en dat zijn `zaak' het gehaald heeft, tegen de berekeningen in: de droom van Gods rijk is blijven leven en steekt binnen onze wereld telkens weer de kop op, in telkens nieuwe hoop. Kunnen we sindsdien nog beweren dat een hopeloze zaak het tóch niet haalt? dat de gevestigde machten tóch wel weer zullen winnen? dat een enkeling toch maar machteloos is? Moeten we niet minstens de mogelijkheid open laten dat geloven, uiteindelijk vertrouwen, wérkt? dat de moerbeiboom toch te ontwortelen is, – als je tenminste inderdaad hetzelfde soort radicale trouw/geloof/ vertrouwen hebt als Jezus? Voorzichtig mogen we dat toch beamen in de woorden van het lied dat we dadelijk zullen zingen, – een `geloofsbelijdenis' zoals die past bij de lezingen van vandaag (Liedb. 252, 1.3.4). T. Schoof |