OCP - Nijmegen

  • Smaller scherm
  • Breder scherm
  • Automatische breedte
  • Kleiner lettertype
  • Standaard lettertype
  • Groter lettertype
Home Rond Vieringen Preek van de week Niet ik maar wij worden gered
Niet ik maar wij worden gered PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Jan van Hooydonk   

OCP, 22 augustus 2010, 'Niet ik maar wij worden gered' (Jesaja 30,1-5 + 9-21, Lukas 13,22-30).

Misschien, zusters en broeders, heeft u het vier weken geleden op tv gezien: de indrukwekkende uitvaart van bisschop Bekkers, de hilarische omgang tussen de Italiaanse dorpspastoor Don Camillo en zijn tegenspeler de communistische burgemeester Peppone, het evangelie volgens Matteüs, ontroerend verfilmd door de ongelovige Pasolini. Fragmenten van dit alles, en nog veel meer, kwamen op 31 juli voorbij in de eerste aflevering dit jaar van het VPRO-televisieprogramma Zomergasten. De jonge, niet godsdienstig opgevoede presentator Jelle Brandt Corstius was duidelijk verbaasd over de selectie van tv- en filmfragmenten die zijn gast Jan Marijnissen aan de kijkers voorschotelde. "De rode draad van vanavond lijkt de religie te zijn", merkte Brandt Corstius ietwat verbouwereerd op. (Hij had wellicht een andere 'rode draad' verwacht…) Vanwaar die keuze? wilde hij van zijn gast weten. "Omdat religie bij uitstek metaforen verschaft voor het leven", antwoordde Marijnissen.

Van Jan Marijnissen weten we dat hij voorzitter is van de Socialistische Partij en dat hij katholiek werd opgevoed maar zich nu als ongelovig beschouwt. Maar ik denk dat je geen aanhanger van de SP of ongelovige hoeft te zijn, om iets van Jan Marijnissen te kunnen leren. "Religie verschaft bij uitstek metaforen voor het leven", zei hij. Met andere woorden: de beeldtaal van de religie is voor mensen een middel bij uitstek om zichzelf te begrijpen en om te ontdekken waar het leven om draait, waar het in het leven werkelijk op aankomt. Is het niet precies dáárom dat wij week in week uit de liturgie vieren, steeds weer lezen in de geschriften van Israël en de eerste christelijke gemeenten, steeds weer het oergebaar van breken en delen herhalen? We doen dat om onszelf beter te begrijpen, om te weten waar het in het leven werkelijk op aankomt en ons doen en laten daaraan te ijken.

 Waar komt het in het leven op aan? Daarover gaat het ook in de lezingen van vandaag. De evangelielezing geeft niet meteen een antwoord, maar begint met een vraag. Iemand vraagt aan Jezus: "Heer, zijn er maar weinigen die worden gered?" De auteur van het evangelie zal wel ironisch geglimlacht hebben toen hij die vraag zo opschreef: "Zijn er maar weinigen die gered zullen worden?" Want natuurlijk is deze vraag helemaal niet als een objectieve vraag bedoeld. Zo van: "Zeg me eens: hoeveel mensen worden er nu eigenlijk gered en hoeveel vallen er af en gaan dus naar de verdoemenis?" Nee, wat die iemand graag uit Jezus' mond wil horen is of hijzelf gered zal worden. "Zeg eens, Jezus, ík word toch zeker wel gered?" Of, vooruit, als we er dan toch anderen bij moeten betrekken: "Zeg eens, Jezus, ikzelf en mijn familie, mijn club, mijn kerk, ons volk worden toch zeker wel gered?"

Het evangelie zegt: 'iemand' stelt Jezus een vraag. In het evangelie lijkt met die iemand een van de leerlingen bedoeld te zijn, maar je kunt 'iemand' hier net zo goed verstaan als 'elckerlyc': dit is de vraag van iedereen, de vraag dus ook van ons zoals we hier zitten. Het is ook de vraag die ik mijzelf stel: "Heer, zal ik gered worden?"

In de geschiedenis van het christendom zijn op die angstige vraag verschillende antwoorden gegeven. Eén daarvan ligt vervat in de zogeheten leer van de predestinatie of uitverkiezing - volgens sommigen een kernstuk van het protestantisme - die zegt dat God van eeuwigheid af sommige mensen heeft uitverkoren voor de eeuwige zaligheid en anderen tot de hel heeft voorbestemd. Een ander antwoord wordt gegeven door de Canisiusbijbel, de bijbelvertaling die tot ver na de Tweede Wereldoorlog de voor rooms-katholieken kerkelijk goedgekeurde vertaling was. Die Canisiusbijbel heeft als verklarend opschrift boven de perikoop van vandaag de woorden: 'Verwerping der joden, uitverkiezing der heidenen'. Zulke antwoorden - predestinatie, verwerping van de joden - krijg je als theologische vooroordelen de uitleg van het bijbelverhaal naar hun hand gaan zetten. Maar de tekst van vandaag gaat niet over huiveringwekkende eeuwige raadsbesluiten of de nog huiveringwekkender verwerping van de joden en zij gaat trouwens al evenmin over de toegang tot de hemel, opgevat als het leven na de dood. Deze perikoop gaat over de toegang tot het Koninkrijk van God, de toekomst die God reeds hier en nu met ons begonnen is.

"Heer, zal ik gered worden?", luidt de vraag die iemand aan Jezus stelt. Zoals zo vaak in het Evangelie, geeft Jezus op de vraag die mensen aan hem stellen, geen direct antwoord. Wel vertelt hij een gelijkenis.

Warenhuizen beschikken over wijde deuren die automatisch opengaan. Zo is het met het Koninkrijk van God niet. Dat Koninkrijk wordt ons in deze gelijkenis voorgesteld als een huis, een paleis wellicht, waarbinnen de Heer zelf een maaltijd voor zijn gasten aanricht. De deur naar het Koninkrijk is maar smal en je moet dus werkelijk alle moeite doen om daar binnen te komen. Vanzelf zal het niet gaan. "Ja, maar", zeggen de mensen die door zich door de enge poort naar binnen trachten te wurmen, tot de heer des huizes, "u kent ons toch wel? We hebben toch ooit samen gegeten en gedronken? We hebben toen en toen toch naar uw onderricht geluisterd?" Hun beroep op een gedeeld verleden helpt hen echter niet. Resultaten in het verleden behaald bieden kennelijk geen garantie voor de toekomst. "Ik ken jullie niet", antwoordt de Heer, "jullie zijn me eerlijk gezegd niet opgevallen. Ik wil helemaal niets met jullie te maken hebben; jullie bestaan eenvoudigweg niet voor mij. Weg van mij, jullie bedrijvers van onrecht!"

De vraag die het evangelie ons vandaag stelt is niet: "Hoevelen zullen er gered worden?" maar: "hoe zullen we gered worden?" Een beroep op een eenmaal verworven entreebewijs helpt ons dan niet. Nee, alle predestinatie te spijt, we zullen niet gered worden omdat we nu eenmaal christen zijn en lid van de kerk. Gods toekomst zal evenmin onder ons baanbreken omdat we nu eenmaal - althans de meesten van ons - witte Nederlanders zijn. Ook breekt Gods toekomst niet aan wanneer we, zoals we in de lezing van Jesaja hoorden, terugverlangen naar de vleespotten van Egypte, wanneer we dus onze toevlucht nemen tot leiders en manieren van denken en doen die ons eerder in de tijd in een crisis hebben gestort.(Wat merkwaardig toch dat mensen die de crisis veroorzaakt hebben, steeds maar weer opnieuw in het zadel geholpen worden…). En wat ook niet helpt is conservatief terugverlangen naar de zogeheten goeie ouwe tijd, toen de mensen naar verluidt nog één waren en het leven simpel en goed was. Conservatisme, zo zei de schrijver Benno Barnard ooit, is "verlangen dat alles blijft zoals het nooit geweest is". Zou een conservatief beroep op het verleden ons dan toegang bieden tot de toekomst die God hier en nu met ons wil beginnen? Zouden we met een beroep op het verleden de keuzes kunnen ontlopen die nu van ons gevraagd worden?

 "Zijn er maar weinigen die gered worden?", zo vroeg iemand aan Jezus. Hij bedoelde: "Zal ik gered worden?" Het antwoord van Jezus, vervat in de gelijkenis die we zojuist hoorden, zou wel eens kunnen luiden dat 'ik' niet gered zal worden, dat alleen 'wij' gered zullen worden. Anders gezegd: dat 'ik' alleen gered zal worden, wanneer ik mij verbind met anderen, wanneer ik aan anderen recht doe. Dat, zusters en broeders, is waar het leven volgens het evangelie werkelijk om draait. Zo zouden we onszelf moeten begrijpen: als deel van een 'wij', mensen die betrokken zijn op elkaar, elkaar recht doen.

Een joods verhaal tot slot: een leraar vroeg eens aan zijn volgelingen: "Wanneer eindigt de nacht en begint de dag?" Een van hen antwoordde: "Wanneer je van op zekere afstand een dier kunt zien en kunt onderscheiden of het een koe of een paard is." "Neen", antwoordde de leraar. Een andere leerling antwoordde: "Wanneer je op zeker afstand een boom kunt zien staan en kunt onderscheiden of het een beuk of een eik is." "Neen", antwoordde opnieuw de leraar. En zo probeerden al de leerlingen een antwoord te geven, en telkens was het antwoord ‘neen’.
Uiteindelijk zei een van de leerlingen: "We weten het niet! We vragen het nu aan u: wanneer eindigt de nacht en begint de dag?" De leraar antwoordde: "Wanneer je in het gezicht van je medemens je broer of zus herkent."

Je medemens als je zus en je broer herkennen en erkennen: moge dat ons in dit uur, in het delen van Gods Woord en in het breken en delen van zijn lichaam en bloed gegeven worden.

Amen.

Jan van Hooydonk

 

OCP-kalender

April 2012 Mei 2012 Juni 2012
Zo Ma Di Wo Do Vr Za
1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31

Besloten gedeelte