| 'Allerheiligen': Jezus’ programma voor Gods rijk |
|
|
|
| Geschreven door Ted Schoof |
|
`Allerheiligen': Jezus’ programma voor Gods rijk Openb. 7, 1-17; Mt. 4, 25 - 5, 12
Overweging Hoor je deze woorden vanuit ónze situatie, dan herken je wel een authentiek christelijk gegeven; niet voor niets worden er ook in onze tijd martelaren heilig verklaard, officieel of niet, zoals bv. bisschop Romero of Martin Luther King. Ook in onze dagen hoor je van christenen die om hun getuigenis gemarteld worden, die ten offer vallen aan doodseskaders of geheime diensten, of minstens `uitgescholden' of `vals beschuldigd worden' als ze opkomen voor gerechtigheid en vrede. Maar er zijn toch ook ándere heiligen, bekende - zoals Augustinus, Franciscus, Teresa van Avila, Luther, Calvijn - en onbekende: de vele goede mensen die we op onze levensweg ontmoeten? De kerkgemeenschap verliest nogal wat ruimte in de huidige westerse wereld, maar zit toch ook niet angstig in een schuilhoek te wachten op een gewelddadige dood? Het rijk Gods is toch ook bedoeld voor ónze wereld, niet alleen voor na de dood. Zo heeft de latere christenheid het in elk geval verstaan toen ze haar geloof vorm gaf in zorgzame sociale instellingen en sublieme kunst, in een `christelijke cultuur? Misschien moeten we toch nog wat beter luisteren naar onze teksten. Dan kom je vanzelf bij die acht `zaligsprekingen'. Daarin biedt Jezus een samenballing van waar het volgens hem om gaat bij dat rijk, dat reddingsplan van God voor de mensen. En als je er goed naar luistert - even probeert te vergeten dat je ze al zo vaak gehoord hebt - merk je ineens weer hoe revolutionair dat rijk van God is: de ereplaatsen zijn er voor de armen, de treurenden, de vredebrengers, de sociale actievoerders, de barmhartigen, de mensen die `zuiver van hart' zijn (recht door zee, zonder bijbedoelingen). Het is een omkering van de wereld zoals we die kennen, en eigenlijk ook van de kerk zoals we die kennen. Want bij ons lijkt op beslissende momenten toch meestal het `realisme' te winnen: de harde lijn, niet de zachtmoedigheid of barmhartigheid; het `economisch herstel', niet de mensen die arm zijn of proberen een diep verdriet te verwerken; de slimme formulering, niet een ja dat ja is en een nee dat nee is; of nog meer en nog vernietigender wapentuig en niet een moedig risico als weg naar vrede. Waar worden niet de generaals maar de dienstweigeraars gedecoreerd? Of niet starre bestuurders maar bescheiden pastors aangesteld tot kerkelijk leider? Ben ik nu aan het simplificeren, of overdrijven? Heel goed mogelijk. Ik bedoel ook niet iemand te beschuldigen, of voel in elk geval ook mezelf in de beklaagdenbank staan. En er zijn natuurlijk ook wel lichtpuntjes, vaak bij degenen die wij `heilig' vinden. Maar anders dan wat ik zojuist omschreef kan ik Jezus' programma toch niet verstaan. Dat program ís ook niet `realistisch'. Zelf was Jezus de eerste om dat te merken. Want hij verkondigt niet zomaar een program, hij wás het ook. Jezus zelf is die arme, vervolgde, de man die honger en dorst vergat voor het rijk van zijn Vader; hij was de barmhartige bij uitstek - denk maar eens aan zijn houding tegenover de vele zieke en gekwelde mensen die hem achternaliepen, of tegenover de overspelige vrouw -, de verzoenende vredestichter die joden én samaritanen opzocht, armen én rijken, tollenaars én farizeeën. En hij ondervond ook dat dit programma hem in conflict bracht met het `realisme' van zijn wereld, en van zijn godsdienst. Omdat hij deze spanning doorstaan heeft, zijn geloof in Gods rijk-in-zichzelf niet verloor en daarvoor de dood bewust onder ogen zag, is Gods belofte in hem tóch in vervulling gegaan: deze arme bezit nu het rijk, deze tot de dood bedroefde is getroost, deze vervolgde, zachtmoedige mens heeft het land in bezit gekregen, deze recht-door-zeeë profeet mag nu God zien: de Vader heeft hem barmhartigheid bewezen en deze vredebrenger zijn kind genoemd. Een visioen dus, een droom, - maar een waarvan in Jezus' verrijzenis bewezen is dat het Góds droom is, dat God er achter staat. En waarvan we vandaag mogen zeggen: het is door vele van Jezus' volgelingen - de eeuwen door - herkend en uitgeprobeerd, met alle risico's en teleurstellingen, en misschien ondanks dat je beseft meestal maar zwak, moedeloos en hulpeloos te zijn. Dus toch en kerkgemeenschap die zich afzet tegen `de wereld', zich terugtrekt, eigenlijk alleen als martelaar tot haar recht komt, over dit leven heenkijkt tot over de dood? Toch enerzijds een `boze wereld' en anderzijds een goed en zuiver christendom, als twee onherleidbare polen? Als je naar Jezus zelf kijkt volgt dat nog niet. Hij wil kennelijk het visioen van God - zijn rijk - al beginnen te realiseren om zich heen, in zijn wereld: in genezen zieken, herboren zondaars, herstelde menselijke relaties, verdrukten aan wie recht is gedaan. En je krijgt ook niet de indruk dat hij alleen het kwade in de wereld zag. Men noemde hem een wijndrinker en feestvierder, en hij kon poëtisch vertellen over de mooie dingen in het leven, al besefte hij tegelijk dat bijna onontkoombaar het kwaad erin woekert en dat mensen daar als vanzelf in gaan berusten. Zijn geloof in Gods droom heeft hij in elk geval nooit verloren, en als dat in gevaar komt, als het erop aan komt, geeft hij geen centimeter toe. Dit is meteen Jezus' model van `heiligheid': ondubbelzinnig durven zijn, bereid jezelf te verliezen, - wat betekent dat je als zijn volgeling dus eigenlijk niets te verliezen mag hebben: geen prestige, macht, geld of gelijk. Wie dan kan, in kleinere of grotere mate - de moed niet verliezen, op beslissende punten nee durven zeggen, zelfs het laatste risico van de dood niet uit de weg gaan -, mag een `heilige' heten, bekend en vereerd, of alleen maar een van de `stillen in den lande'. Kiezen voor het programma van Gods rijk, op welk niveau ook, kan pijnlijk genoeg zijn, maar het geeft je wel een plaats tussen die velen die, zoals de eerste lezing beschreef, mogen optrekken naar Gods troon, waar honger en dorst, zonnesteek en woestijngloed verdwenen zijn, de tranen afgedroogd, - waar God ons voert naar `de waterbronnen van het leven'. Een vooruitzicht dat ook nu al, als wij denken aan de velen die ons voorgingen, een feestelijk moment mag zijn. (T 189)
|