OCP - Nijmegen

  • Smaller scherm
  • Breder scherm
  • Automatische breedte
  • Kleiner lettertype
  • Standaard lettertype
  • Groter lettertype
Home Home Achtergrond
Achtergrond PDF Afdrukken E-mailadres

Het Oecumenisch CityPastoraat (OCP) is een beweging van mensen uit verschillende kerkelijke tradities, die gezamenlijk elke zondagmorgen een oecumenische viering van Woord en Tafel  verzorgen, waarin voorgangers van verschillende kerken voorgaan. 

Het Oecumenisch CityPastoraat (OCP) ontstond in 1974. De Stevenskerk was gerestaureerd en onder leiding van ds. Colijn, toen diaconaal predikant, kwamen de diensten op gang, ondersteund door de Hervormde kerk, de Katholieke kerk (bisdom en decanaat) en de Gereformeerde kerk. In 1976 werd de Karmeliet Ton Deenen benoemd, die later ook Deken werd binnen het Dekanaat van de Katholieke kerk Nijmegen. Vanaf die tijd krijgt het OCP meer en meer vorm. In 1994, na sluiting van het Albertinum, het klooster van de Dominicanen in Nijmegen, komen verscheidene geestelijken en kerkgangers naar het OCP om daar hun inbreng te leveren. Ton Nuij, Benedictijn, is de oudste voorganger in het OCP. Hij ging al in de zeventiger jaren, toen als secretaris van de Raad van Kerken, voor in het OCP. Sinds zijn terugkeer uit Nicaragua gaat hij regelmatig voor. Henk Gols, predikant van de protestantse kerk in Nijmegen is ook een regelmatige voorganger. 

Het is en blijft een vervolgverhaal door ds. J. Colijn (1916–2003)

In februari 1944 werd de binnenstad van Nijmegen getroffen door een zwaar bombardement. De Amerikanen moeten de grens met Duitsland niet goed onderkend hebben en zagen Nijmegen voor een Duitse stad aan. Dat was een ramp van grote omvang, waarbij zeer veel slachtoffers vielen en de binnenstad in een puinhoop werd veranderd. De Grote of Sint-Stevenskerk werd zwaar getroffen, de toren werd gehalveerd en de kerk voor een groot deel verwoest. In 1953 was de toren hersteld en in september 1969 werd de restauratie van de kerk voltooid.
Inmiddels was tussen het begin van de oorlog en het herstel van de kerk het stadsbeeld duidelijk veranderd. De binnenstad was herbouwd. In de buitenwijken waren nieuwe stadsdelen ontstaan en nieuwe kerken. In het centrum van de stad stond die prachtige kerk, schitterend gerenoveerd, klaar voor gebruik, temidden van de vernieuwde winkelstraten. Een eigenlijke parochie heeft de Stevenskerk echter nooit gekend; altijd is zij aangehaakt geweest aan een van de andere kerkwijken. De kerk was eigendom van de Nederlandse Hervormde gemeente. Een kerk uit de dertiende eeuw, na vele gedaanteveranderingen in een lange, bewogen kerkgeschiedenis geworden tot een vertrouwd beeld in de stad.

Vijftig plaatsen
De vraag waarvoor de kerkgemeente stond was eenvoudig te stellen, maar moeilijk te beantwoorden. In het begin van de jaren zeventig werd er landelijk veel gepraat over de bestemming van grote kerken die hun eigenlijke functie niet meer konden vervullen. Men dacht aan ruimte voor concerten, koormanifestaties, tentoonstellingen, congressen. De grenzen van de mogelijkheden werden angstvallig afgetast. Zwaar ook woog in die jaren de gedachte: een kerk is een kerk en daarom nauwelijks voor een ander doel geschikt. De Stevens moest dus een kerk blijven.
De Katholieke Universiteit, toen nog niet in het bezit van een ruime aula, deed een beroep op het kerkbestuur en werd openhartig ontvangen bij universitaire, grote samenkomsten. Maar verder bleef de kerk een gebouw met twee prachtige kapellen en uiteraard de indrukwekkende ruimte zelf. De zondagse kerkdiensten werden voortgezet als was er geen oorlog geweest.
Maar de kerk die ruimte bood aan achthonderd mensen, had aan vijftig plaatsen genoeg. In die naoorlogse jaren was het beeld van kerk-zijn zodanig veranderd dat andere wegen moesten worden ingeslagen. In die tijd was ik een van de hervormde predikanten en ik kwam beschikbaar doordat mijn werk als diaconaal maatschappelijk predikant werd ingevoegd in het katholiek maatschappelijk werk. Een samenwerking die het gevolg was van vernieuwde kerkelijke inzichten.

Opdracht onbegrensd
Het klonk wel wat naïef en toch werd het zo gezegd: “Dominee, hier heeft u een kerk en zie maar wat u ermee doet.” In ieder geval was duidelijk: in de Nijmeegse situatie een kerk vullen met achthonderd mensen was een onmogelijkheid. Ook in ons denken over kerk-zijn in die jaren was de vraag niet: hoe vul ik een kerk? maar: hoe kan ik in het naoorlogse denken, na Auschwitz, nog over God denken? Een vraag die niet meer binnen het protestantisme alléén beantwoord kon worden, maar in nauwe samenspraak en dialoog met de katholieke broeders en zusters in deze stad. En daar de opdracht eigenlijk onbegrensd was, stond het mij als dominee vrij die weg op te gaan. En ook ik wist al evenmin waar we terecht zouden komen.
Aan deze toen zeer persoonlijke beslissing van mij was wel het een en ander voorafgegaan. Ik had in de jaren zestig nauwe contacten met de parochie van de dominicanen bij de Oude Heselaan. We waren gewoon maar begonnen met af en toe samen te komen in een kerk om te zingen, te bidden en de Bijbel te lezen. Als een vanzelfsprekende zaak waarop christenen elkaar kunnen aanspreken. Daar kwamen geen dogmatische beslissingen aan te pas en geen bisschop kon erdoor van de wijs raken. Dat raakten de bisschoppen van dit bisdom, Bekkers en Bluyssen, dan ook beslist niet.
Die samenkomsten waren voor de pers spectaculair maar voor ons niet. Je kon je schamen dat zoiets voor christenen niet de gewoonste zaak van de wereld was. Wat leerden we uit die uiterst eenvoudige samenkomsten? Dat we ten opzichte van elkaar wel wat in te halen hadden. We leerden naar elkaar te luisteren. We ontdekten dat we vaak heel verkeerde beelden van elkaar hadden, nog afgezien van de beelden in de kerk. Langzaam ontdekten we dat in het diepst van ons bestaan de vraag lag naar de gemeenschap met God. We ontdekten verschil in geloofsbeleving, in liturgie, in omgaan met de sacramenten.
Maar heel veel kon blijven rusten omdat we allereerst zochten naar gemeenschappelijke ervaringen in aanbidding en lofzang. En verder werd er weer gepraat op straat over roomsen en protestanten. De dominee was dan wel geen priester, maar hij geloofde ook veel! De pater was dan wel niet getrouwd, maar hij was toch een echt mens!

Wederzijdse herkenning
Een hevige kerkelijke aardbeving bracht het Tweede Vaticaanse Concilie teweeg. Na het overlijden van paus Pius XII, in 1958, kwam er een kerkvorst die het tegendeel bleek van zijn voorganger, een pastoraal bewogen mens: Johannes XXIII. Ik las in die tijd zijn dagboek en dacht: die man is tot zijn laatste vezel rooms-katholiek. En dat was hij ook, maar hij zag ver buiten de grenzen van zijn kerk. Hij zag meer de ontferming van de Heer over de schare die zonder herder ronddoolt.
Hij opende het Tweede Vaticaans Concilie (1963–1965), een oecumenisch concilie, dat wil zeggen bestemd voor de gehele katholieke geloofsgemeenschap. Wat in eeuwen niet gebeurd was gebeurde nu: protestanten ontdekten een man die bereid was ook niet-katholieken te betrekken in zijn speurtocht naar nieuwe kerkelijke wegen en vormen. Hij had er een heel mooi woord voor, ‘aggiornamento’, dat zoveel wilde zeggen als: zorgen dat je bij de tijd komt.
Dit Concilie heeft in ons land enorm veel teweeggebracht. Veel deuren en ramen, tevoren angstvallig gesloten of vastgeroest, gingen weer open. En kerkelijke ramen en deuren zitten meestal veel steviger vast dan in de wereld! We waren op weg naar wederzijdse erkenning. Oecumenische bijbelgroepen en gespreksgroepen schoten omhoog. Veel mensen, anders zo sceptisch of agnostisch, gingen weer meeluisteren. Voor veel kerkelijke handelingen zetten we het woord ‘oecumenisch’. Oecumenische vieringen, huwelijkssluitingen, gebedsgroepen, dopen. We erkenden elkaars doop. Wat we ook onder eenheid van kerken verstonden, iets ging er toch in vervulling. In deze sfeer van verandering en bewogenheid kwamen ook de oecumenische diensten in de Stevenskerk op gang. Aanvankelijk alleen begeleid door ondergetekende, maar vanaf 1974 vanuit de Nederlandse Hervormde Kerk en de Rooms-Katholieke Kerk, het bisdom en het dekenaat. De kerkenraad van de Hervormde kerk wist zich eerst medeverantwoordelijk, daarna kwam ook de Gereformeerde kerk.

Onderdak en thuis
Bij mij ontstond al gauw behoefte aan de medewerking van een katholieke collega. Het heeft veel tijd en overleg gekost voordat duidelijk werd wat er bedoeld werd met het woord Oecumenisch Citypastoraat. Dat woord kwam in omloop om aan te geven hoe er in deze tijd in een stad gestalte zou moeten worden gegeven aan een modern pastoraat. Dat diende uitzicht te geven aan mensen die geen binding hadden met een kerkgenootschap, maar wel gevoelig waren voor zingeving van het leven. De gesprekken over oecumene in de praktijk waren aanvankelijk zeer moeizaam. Hoe vul je samen dat vreemde woord in? Het gaat niet om een nieuwe kerk. Het gaat om een huis dat mede uit naam van de aanwezige kerken een onderdak en een tehuis biedt aan ieder die daar behoefte aan heeft.
Nog voordat de beslissing was gevallen en er een katholieke pastor werd benoemd, was er al wat werk in niemandsland. Diensten met twee voorgangers. Volledige diensten en vóór iedere dienst werd overleg gepleegd. Een werkgroep van katholieken en protestanten bood daarbij de nodige hulp. Vooral in het begin wilde elke pastor zijn identiteit duidelijk laten blijken. We zochten dan toch naar een viering waarbij goed te zien zou zijn dat die twee voorgangers er eigenlijk toch maar één waren. Met behoud van wat ieder als wezenlijk had ervaren in eigen leven. Bisschop Bluyssen, een grote steun voor ons voorhoedegevecht, legde de nadruk op duidelijkheid. Hij zei: “Het moet duidelijk worden, dominee, wie wat doet.” Daarbij doelde hij vooral op de viering van het sacrament.
In die 25 jaar heeft het bisdom met helderziendheid, oogluikend of blind vanuit de verte ons werk gezegend. Juist de viering van de Eucharistie of het Heilig Avondmaal heeft aanvankelijk veel vragen losgemaakt. Dat was overigens zeer heilzaam. Kerkgangers keken wie het brood uitdeelde en wie de wijn. De dominee is geen priester, dus is hij niet bevoegd. Als er nu brood overblijft, waar gaat dat dan heen en hoe gaat dat met de wijn? Maar wie die vragen stelt, maakt meer vragen los. En dat vraagt om duidelijke begeleiding.

Eigen kerkelijke cultuur
Dan kan, door de benoeming van karmeliet Ton Deenen, het Oecumenisch Citypastoraat echt werkelijkheid worden. Dat is op 10 oktober 1976. Er breekt een tijd aan van veel overleg. Er is een werkgroep voor de vieringen en er komt een begeleidingsgroep voor het werk in het algemeen.
Het overleg gaat zeer moeizaam. Wat willen we precies? Als het om de city gaat, wie en wat hebben we dan op het oog? Als we het over pastoraat hebben, waar denken we dan aan? Als we het over oecumene hebben, hoe vullen we dat woord dan in, vandaag en als het kan ook morgen? We zitten als katholieken en protestanten wel met dezelfde vragen maar blijken die heel verschillend te benaderen. Protestanten en katholieken blijken een duidelijk eigen kerkelijke cultuur te hebben.
Het kost haast te veel tijd om goed naar elkaar te luisteren en we blijken niet altijd antennes te hebben die elkaar goed kunnen ontvangen. We zoeken naar steunpunten. Uitgangspunt is de zondagse viering. Voorlopig wordt daar veel zorg aan besteed. Van katholieke zijde is de inbreng groot. Protestanten werken weinig met symbolen en hun viering lijkt wat schraal. De uitleg van de Schrift gaat bij hen voorop. Juist dat samenwerken aan de vorm van de vieringen leert ons elkaar te begrijpen en waarderen. De belangstelling voor de oecumenische diensten is goed te noemen, al weten we heel goed dat dit werk altijd kleinschalig zal blijven. Oecumene vraagt om bereidheid nieuwe wegen te gaan. Maar menigeen verkiest de warmte van het vertrouwde samenzijn in eigen kerk.
Steeds duidelijker komt er onder alle medewerkenden dat gevoel van: het is mooi dat iets van de eenheid van de kerk blijkt, maar ons eigenlijke werk ligt toch buiten de kerk. We zijn ontevreden over ons werk. We praten over een kerkwinkel. Een plek buiten de kerk, waar mensen zomaar kunnen binnenlopen en zomaar de kerk kunnen prijzen of afbreken. We vinden een plek en houden die twee jaar. Daarna moeten we weg omdat het huis wordt afgebroken. En door een tekort aan medewerkenden beginnen we elders niet opnieuw. We zoeken ruimte voor een Alledagkerk. We werken in een ruimte van de Carmelkerk. Later, van 1981 tot 1990, in de Mariakapel in de Molenstraat.

Duidelijkere structuur
Het jaar 1981 is min of meer een cruciaal jaar. Ondergetekende gaat dan met emeritaat, tegelijk met de cantor. De cantorij was al in 1974 begonnen met twaalf zangers en zangeressen en vormde een grote steun voor de vieringen.
Na een tijd van kritische bezinning op het werk ontstaat in 1983 de Raad voor het Oecumenisch Citypastoraat. Aan het werk dat steeds uitgebreider wordt, wordt ook een steviger omhulling gegeven. Oecumene moet enige structuur hebben, maar ook weer niet teveel, want anders wordt het de zoveelste institutie. Er zijn afspraken, maar minimaal. De medewerkenden vragen wel eens om een duidelijkere structuur, maar we kunnen ons niet al te zeer daaraan binden. Dat is in strijd met het woord ‘oecumene’. Van grote betekenis voor het Citypastoraat is tot op heden het werk van de liturgische commissie. Daarbij gaat het niet alleen om de vormgeving van de vieringen, iedere zondag, maar ook om de gespreksstof op de vergaderingen van de Raad van het Oecumenisch Citypastoraat. Wij kunnen een lid van de Raad afvaardigen naar de vergaderingen van de Algemene Kerkenraad. De band met de grote kerken in Nijmegen is heel dun. In wijken en parochies wordt aan oecumenisch werk weinig of niets gedaan. Men verwijst vaak naar de Stevens en wat daar gedaan wordt en dat is niet de bedoeling.
In 1986 worden we betrokken bij het Landelijk Oecumenisch Beraad Citypastoraten. In 1987 wordt Ton Deenen deken van Nijmegen. Hij blijft als voorganger aan het werk rond de Stevens verbonden. In datzelfde jaar starten we met een oecumenisch middaggebed op het koor van de Stevenskerk. We kunnen dat volhouden tot 1990. In oktober 1988 wordt in Leiden het Landelijk Oecumenisch Platform opgericht. We sluiten ons daarbij aan en zullen in het jaar 2000 de jaarlijkse landdag organiseren. In 1990 ontstaat er een kindernevendienst en breiden we onze liederenschat uit met de bundel Gezangen voor Liturgie. In 1991 is er sprake van ‘stilstand’ in het Oecumenisch Citypastoraat. We houden een bezinningsdag in het klooster van de dominicanen in Huissen. Het overleg gaat moeizaam. We willen duidelijker zijn en weten niet hoe. In 1993 neemt Deenen afscheid en gaat naar zijn klooster in Boxmeer. In dat jaar zijn we betrokken bij de viering van vijfentwintig jaar Raad van Kerken te Nijmegen.
Een kentering ten goede openbaart zich in 1994. De discussies en het nauwgezette zelfonderzoek ten aanzien van het werk openen nieuwe mogelijkheden. Het aantal kerkgangers en ook dat van de medewerkenden neemt toe. Voorgangers dienen zich aan. Het kost geen moeite om voor een heel jaar de preekbeurten in te vullen. De sluiting van het Albertinum, het klooster van de dominicanen, brengt ons in contact met de groep geestelijken en kerkgangers die in het Albertinum thuis waren. Al zoekende kwamen zij in de Stevens te gast en ze zijn nu meer dan gast door hun aanwezigheid en inbreng.

Kerkavonden
In 1994 bestaat het Oecumenisch Citypastoraat twintig jaar. Er is een feestelijke viering. In het maandblad staat een aantal interviews met werkers van het eerste, het tweede en het derde uur. In 1997 begint het Oecumenisch Citypastoraat met het organiseren van zogenoemde ‘kerkavonden’, ontmoetingsavonden waarop actuele kerkelijke vraagstukken aan de orde komen. Er wordt gesproken over het proces van samengaan van drie kerken in ons land. Ook gaat het over de vraag hoe het oecumenisch werk in Nijmegen zich verder zal ontwikkelen. Hoe zullen wij het 25-jarig bestaan invullen? Van groot belang is het ontstaan van een Jongerengroep. Studenten en niet-studenten weten zich met het Citypastoraat verbonden en dragen bij aan de evaluatie van het werk. Ook houden zij zich bezig met de liturgie van de zondagsvieringen, een belangrijke bijdrage.
Al in 1980 verscheen het eerste maandblad OCP. Het doel van deze uitgave was en is: een band scheppen met degenen die de diensten bezoeken. Er zijn in de loop der jaren wisselende redacties. Het blad blijkt een onmisbare schakel tussen beleid en uitvoering, het is een bescheiden uitgave maar goed van inhoud. Het geeft ook enige voorlichting wanneer het gaat om veranderde inzichten in de liturgische vormgeving van onze vieringen. In 1995 opent het met een oproep tot geloofscommunicatie. Wiens taal spreken wij in de liturgie? Als we willen aansluiten bij de jongere generaties zullen we onze taal, dus ook de vormgeving van de liturgie, moeten aanpassen. In dit jaar ontstaan ook een gesprekskring ‘Pastoraat en spiritualiteit’ en een aantal leerhuizen. Onderwerpen zijn: oecumene en mystiek, ervaringsgeloof en symboliek, verzoening en oecumene, bidden in een seculiere maatschappij. Zonder de gedreven inbreng van de benedictijn Ton Nuij was dit werk niet op gang gekomen en had het ook niet voor zovelen een grote betekenis gehad.
In de vijfentwintig jaar dat het Oecumenisch Citypastoraat nu onderweg is, is er veel gebeurd. Er waren hoogtepunten en dieptepunten, geloof en twijfel, hoop en soms wanhoop. Wat was de gedachte vijfentwintig jaar geleden en wat is er van die gedachte geworden? Aan het begin was er de gedachte: waar christenen zijn moet ook een plaats van ontmoeting en herkenning zijn. Kerkmuren wijken dan wel eens. Het ging niet om kritiek op een bestaand instituut. Wie niet bewogen is door liefde voor zijn of haar kerk kan niet over oecumene praten. Het ging niet om een uittocht uit eigen kerk op weg naar een oecumenische kerk. Een oecumenische kerk bestaat niet. Het ging en gaat om de vraag hoe we dat woord ‘kerk’ gezamenlijk in hedendaagse taal invullen. Oecumene heeft altijd een signaalfunctie. De ware kerk, de alleenzaligmakende kerk bestaat niet.
De kerkgeschiedenis van eeuwen leerde ons bescheiden over dat woord ‘kerk’ te spreken en tegelijk heel blijmoedig. Ook met de gedachte dat de kerk altijd weer hervormd moet worden. Vanuit het evangelie staat de kerk altijd onder kritiek. Ook in de kring van het Oecumenisch Citypastoraat zijn gelukkig telkens weer kritische stemmen te horen. Opmerkelijk is, dat we dat woord ‘oecumene’ steeds minder gebruiken. We leerden kerk te zijn zonder bijzondere woorden. We leerden te leven alsof de kerk een eenheid was en is.
Wanneer we kritisch met elkaar bezig zijn, hebben we op onze weg ook telkens ontdekt dat, als het om de eenheid van de kerk gaat, de vraag ons blijft lastigvallen wat we met die eenheid bedoelen. Is de uitstraling van het Oecumenisch Citypastoraat van dien aard dat anderen door dit werk ook weer aan het denken gaan om samen met ons die vraag te beantwoorden? We vragen ons vandaag ook af of het werk van het Oecumenisch Citypastoraat in onze stad, die zich zo beijvert om vernieuwd te worden, ook tot een vernieuwd denken aanzet. Een andere vraag die ons bezighoudt is of het proces van vervreemding van de kerk en haar boodschap ons ook verontrust zodat we wegen zoeken om dit proces te kunnen verstaan en eventueel begeleiden. In de kring van het Oecumenisch Citypastoraat is maar één werkelijke angst: dat we in Nijmegen een kerkje in de kerk zouden zijn en niet een kerk midden in de wereld. Soms lijken we wat elitair, soms wat knus, soms wat buitenissig. […]

Mijn verhaal heeft eigenlijk geen slot. Het staat open naar de toekomst. Het is en blijft een vervolgverhaal. Anderen zullen dat vervolg schrijven.

Het verhaal is ook open, omdat het is ingebed in het werk van de Heilige Geest. De Geest werkt bovengronds en ondergronds. Ook wanneer je er bovengronds niets van merkt, gaat het werk verder. Onderweg hebben we ontdekkingen gedaan die ons verrasten. Het werk leek soms dood en het leven verscheen plotseling als een bemoediging. We hadden af en toe onze twijfels over de voortgang van de oecumene. De plaatselijke kerken vonden alles best, maar deden weinig als het ging over het thema van de eenheid der kerken.
In de omgang van katholieken met protestanten ontdekten we dat ieder een eigen inbreng had. De veelkleurigheid van het evangelie kwam dan aan het licht. In Nijmegen arbeiden in verschillende parochies ordegeestelijken: dominicanen, augustijnen, karmelieten, benedictijnen, jezuïeten, franciscanen. Wat een inbreng aan spiritualiteit in de loop der eeuwen! In de oecumene moeten we veel meer van elkaar leren profiteren. De Reformatie heeft een heel eigen inbreng. Sober, zonder symboliek, sterk geconcentreerd op de Heilige Schrift. We leerden wat van elkaar over te nemen om er rijker van te worden.
Wat we na vijfentwintig jaar in ieder geval hopen is, dat het Oecumenisch Citypastoraat samen met de kerken in deze stad een duidelijk signaal mag geven van de tegenwoordigheid van God. Huub Oosterhuis zegt in een van zijn Pinksterliederen: “De Geest des Heren heeft een nieuw begin gemaakt, in al wat groeit en leeft zijn adem uitgezaaid. De Geest van God bezielt wie koud zijn en versteend, herbouwt wat is vernield, maakt één wat is verdeeld.”

(einde citaat)

Laatst aangepast op zondag, 12 augustus 2007 21:19
 

OCP-kalender

Januari 2012 Februari 2012 Maart 2012
Zo Ma Di Wo Do Vr Za
1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 29

Besloten gedeelte